Massaloze deeltjes, zoals fotonen, hebben eveneens een impuls en bewegen zich altijd met de lichtsnelheid. In de natuurkunde is de impuls - in het Engels 'momentum' - een grootheid die gerelateerd is aan de snelheid en de massa van een object. De impuls wordt ook soms 'hoeveelheid van beweging' genoemd. Binnen de klassieke mechanica is impuls gedefinieerd als: p = mv - oftrwel: de impuls is het product van de scalaire grootheid massa en de vectoriële grootheid snelheid. De impuls is dus ook een vectorgrootheid, met dezelfde richting als de snelheid.
Toen Albert Einstein met een gedachtenexperiment zijn relativiteitstheorie ontwikkelde, bleek dat de klassieke impuls niet voor verschillende waarnemers behouden kon zijn. Het was daarom nodig de definitie van impuls aan te passen tot een relativistische impuls.
Hierbij hangt de lorentzfactor af van de snelheid. Bij lage snelheden is de lorentzfactor gelijk aan één. De definities van klassieke en relativistische impuls komen dan overeen. Maar, wanneer de snelheid in de buurt komt van de lichtsnelheid 'c' neemt de lorentzfactor toe en is de relativistische impuls groter dan de klassieke. De impuls neemt zelfs toe tot oneindig wanneer de snelheid van het voorwerp de lichtsnelheid nadert. Dit geeft aan waarom de lichtsnelheid nooit gehaald kan worden. Hiervoor is een oneindig grote stoot nodig en dus een kracht die oneindig groot is, of oneindig lang werkt.
Maar..., heb je nog 1 dik minuutje?